• Jacobine van den Hoek

Het huis met de beelden


Altijd als ik langs fiets wordt mijn blik naar de tuin tegenover de molen De Dikkert getrokken. De tuin staat vol beeldjes, donkergekleurde mannetjes. De meesten spelen op een muziekinstrument. In plaats van het geluid van de voorbij rijdende auto’s, hoor ik vaak in gedachten de meeslepende blues klanken.

Op een dag doet mijn zoon, samen met een vriendje, een boodschap voor me. Als hij terug komt toont hij trots een beeldje. Het is een vrolijk negroïde mannetje op een krukje. Het hoofd zit los van de romp. Voor mij, een cadeautje. Zijn vriend en hij kregen het in de supermarkt, van een aardige mevrouw. Het verhaal dat de jongens opdissen hoor ik met argwaan aan. Met een lief gebaar overhandigt mijn zoon het presentje. Mijn moederhart smelt.

Natuurlijk is het niet het moment om achterdochtig te zijn, maar toch kan ik het niet laten. ‘In de supermarkt? Zomaar?’ Een blije blik. Ik zwijg en repareer met secondelijm het beeldje. Het klopt niet, dat weet ik ook wel. Maar wat het precies is, dat bedenk ik niet. Totdat ik de vader van het vriendje tegen kom op school. Hij begint er meteen over. ‘Dat is toch raar? Is het niet toevallig dat ze onderweg naar de winkel, op de Amsterdamseweg, langs het huis met de beelden zijn gelopen?’ Natuurlijk! Hoe kon ik dat vergeten? Er staan wel honderd creaties in die tuin. Een beeldje meer of minder valt echt niet op.

In de namiddag zeg ik, tussen neus en lippen door, tegen mijn zoon: ‘Ik ga naar de eigenaren van de tuin. Misschien missen ze wel beeldjes?’ Een bedenkelijke blik. Niet veel later komt het hele verhaal eruit: ze hebben de ‘cadeaus’ uit de tuin meegenomen. Ik bel de vader van het vriendje. Gedeelde smart is halve smart.

Het is al lang donker als ik met hem achter de jongens aan loop. Mijn zoon heeft zijn pyjamabroek al aan. Er doet niemand open als ze aanbellen. Nog een keer, knik ik. Even later komt er een meneer met een baardje vanachter het huis naar ons toe. Zenuwachtig verschuift mijn zoon zijn voet. Hij geeft het stenen mannetje aan de oude man.

Oh, wat leuk! roept het baasje, als hij ziet dat het zijn twee beeldjes zijn. Verbouwereerd kijken de vader en ik elkaar aan, leuk? Er staan twee boeven voor hem. 'Ik heb geen snoep,' zegt de oude man. Zijn vrouw zwaait enthousiast gedag vanachter het raam. 'Ze hebben deze beeldjes eerder uit uw tuin meegenomen,' verduidelijken we hem. De man blijft de jongens vrolijk aankijken. 'Wat goed dat zij ze terugbrengen!' 'Misschien kunnen ze een klusje voor u doen?' probeert de vader. 'Nou, de beeldjes moeten worden geschilderd en schoongemaakt. Daar kunnen ze mee helpen. Maar doe dat maar in de zomer. Nu heeft het geen zin.' De man knipoogt naar de kinderen. 'Leuk!' roepen ze terug. ‘Doen we.’

Onze jongens hebben reuze lol als we weer terug lopen naar huis. En ik? Ik probeer mijn lach te verbergen, dit mag ik niet lollig vinden. Elke keer als ik langs de beeldentuin fiets, denk ik aan het klusje. Wat zullen de beelden er weer mooi uit gaan zien!

#column

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • YouTube
  • Instagram

 ©Copyright Jacobine van den Hoek 2020

Website redesign Astrid Works